Terugverdientijd:
hoe rekent u het eerlijk uit?
Dit is de vraag die iedereen stelt en waarop bijna niemand een eerlijk antwoord geeft. Niet omdat het antwoord ingewikkeld is, maar omdat het per huishouden verschilt en een verkoper liever één mooi getal noemt.
Wat de uitkomst bepaalt
Vijf dingen wegen zwaar. Hoeveel u verbruikt en, belangrijker, wanneer. Hoeveel u opwekt en of dat samenvalt met uw verbruik. Wat u betaalt voor stroom en wat u terugkrijgt voor teruglevering. Of u een vast of dynamisch contract heeft. En hoeveel laadcycli het systeem per jaar maakt.
Verandert één van die vijf, dan verschuift de uitkomst met jaren. Daarom kan een berekening van uw buurman niets zeggen over uw situatie.
De aannames waar het misgaat
Let bij elke berekening op vier dingen. Met welke stroomprijs is gerekend, en is dat een prijs uit een duur jaar? Met welke terugleververgoeding, en zijn de terugleverkosten daarvan afgetrokken? Hoeveel cycli per jaar zijn aangenomen, en haalt het systeem die zonder zijn levensduur op te maken? En is er gerekend met prijsstijging, want dat maakt elke som mooier.
Een berekening die van 300 cycli per jaar uitgaat bij een systeem met 6.000 cycli, gaat uit van twintig jaar. Dat kan kloppen. Rekent iemand met 500 cycli, dan is het twaalf jaar en moet dat in de som terugkomen.
Wat er verandert na 2027
Met het vervallen van de saldering wordt eigen verbruik veel meer waard dan teruglevering. Dat verkort de terugverdientijd van opslag. Berekeningen van vóór dat besluit zeggen niets meer, in beide richtingen.
Wanneer het niet uit kan
Bij een laag verbruik dat grotendeels overdag valt, valt de winst tegen: u gebruikt uw zonnestroom dan al direct. Bij een vast contract zonder dynamische sturing mist u de prijsverschillen. En wie een systeem koopt dat veel groter is dan zijn verbruik rechtvaardigt, betaalt voor capaciteit die stilstaat.